Europese militaire samenwerking zet soevereiniteit onder druk

Europese legers werken steeds vaker samen. Dat gebeurt om praktische redenen, meestal om kosten te besparen, maar het is daarbij wel van belang dat landen zelf kunnen blijven bepalen over de inzet van hun troepen.

Juist daaraan wordt echter gemorreld, de EU gaat steeds meer lijken op een Europese staat met een Europees zwaard. Binnen de spraakmakende Europese elites wordt al jaren een intensief politiek debat gevoerd over de gewenste mate van militaire samenwerking tussen de EU-lidstaten en zelfs de mogelijkheid van het vormen van een Europees leger.
Voor de enthousiaste aanhangers van meer Europese politieke samenwerking is dat logisch. Een Europese staat moet ook beschikken over een Europees zwaard. De veronderstelling is dus dat er naar een coherente politieke entiteit wordt toegewerkt, die dit leger overal kan inzetten waar de Europese belangen in het geding zijn.
Dit is echter niet een noodzakelijk doel. Er zijn ook minder verregaande stappen mogelijk waarbij legers op internationale missies samenwerken. Sterker nog, dat gebeurt al door bijvoorbeeld de Nederlandse en Belgische marine of de Nederlandse en Duitse landmacht. Nederland doet mee in allerhande samenwerkingsverbanden met het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en andere landen.
Dat gebeurt om zeer praktische redenen, niet in het minst uit kostenbesparingen door het delen van materieel en logistieke ondersteuning.

Het bestrijden van de enorme duplicatie en verspilling in de Europese strijdkrachten is nog een goede reden voor samenwerking. Er worden in de Europese legers tientallen vergelijkbare wapensystemen gebruikt, die door concurrerende fabrikanten worden geproduceerd, wat het gevolg is van succesvolle nationale lobby’s om de eigen producten bij de eigen legers af te zetten. Omdat de daardoor geleverde aantallen zelden economisch zinvol zijn (de prijs per eenheid product wordt te hoog), ontstaat er ook een grote druk om deze wapensystemen buiten Europa te exporteren. Daarmee wordt een effectief wapenexportcontrolebeleid ondermijnd.
Er zijn dus goede redenen voor Europese militaire samenwerking, mits de soevereiniteit over de inzet van de eigen troepen wordt bewaard. Dat is echter het punt waar al een tijd aan gemorreld wordt. Een rapport van de Adviesraad Internationale Samenwerking van januari 2012 pleitte voorzichtig voor het herdefiniëren van het soevereiniteitsbegrip, in de zin dat samenwerkende landen van tevoren tot overeenstemming moesten komen over gemeenschappelijke belangen. Minister Hennis pikte deze versoepeling in recentere debatten enthousiast op. ‘Je kunt niet meedoen in allerlei militaire samenwerkingsverbanden zonder dat er een verplichting ontstaat tot meedoen als dat besluit eenmaal genomen is’, aldus de minister. Ze deed een beroep op de Kamer om soepeler om te gaan met inzetbesluiten van de regering, als het ging om internationale militaire samenwerkingsverbanden. Een voorbeeld daarvan was de deelname van een Nederlands militair transportvliegtuig voor het invliegen van Franse troepen naar Mali, begin 2013. Omdat dat vliegtuig ingebed was in het European Air Transport Command was deelname (samen met andere Europese vliegtuigen) volgens de regering onvermijdelijk. Een motie van de SP in de Kamer om deze deelname te blokkeren haalde het niet. De deelname aan het institutionele verband maakte het moeilijker voor partijen om zich alsnog te verzetten tegen deelname aan zo’n missie.

Toch is het niet mogelijk om de soevereiniteit over de inzet van het eigen leger (met de bijbehorende zware verantwoording naar de eigen bevolking) zomaar terzijde te schuiven. Bijna alle partijen in de Kamer verklaren zich voorstander van het handhaven van de parlementaire controle. Door grootschalige bezuinigingen in alle Europese legers ontstaat echter een zeer praktische druk om steeds meer samenwerkingsverbanden aan te gaan. Die verbanden hebben de neiging om een eigen leven te leiden. Anders gezegd – er kunnen situaties ontstaan waar het moeilijk wordt voor een deelnemend land om niet mee te doen met een interventiemacht, waarbij het instemmingsrecht van het parlement onder druk komt te staan. Ook in de huidige situatie kan de regering tegen de wil van de Kamer meedoen aan zogenaamde artikel 100-interventieoperaties. Toch wordt meestal gezocht naar een zo breed mogelijke Kamermeerderheid. Als de betrokken militaire eenheden nauw verweven zijn met andere nationaliteiten, dan wordt een ‘nee’ moeilijker.

Er zit nog een aspect aan vast. De SP vindt dat de ambities van het leger, vooral om mee te doen in zware interventieoorlogen, ernstig beperkt moeten worden. Zeker nu er zo fors bezuinigd wordt op de defensiebegroting. Minister Hennis is echter vastbesloten om ook met minder materieel – zie bijvoorbeeld de befaamde vermindering van het aantal gevechtsvliegtuigen van meer dan 80 F-16’s naar 37 JSF’s – toch mee te blijven doen met operaties in het ‘hoogste geweldsspectrum’. ‘Dat is gek’, verweet Kamerlid Jasper van Dijk haar: ‘Je kunt toch de nadruk leggen op stabilisatiemissies en als het nodig is militair samenwerken met anderen, zonder de eigen soevereiniteit op te geven?’
Helaas moeten we toch vrezen voor een proces van institutionele samenwerking, die tegelijkertijd verregaande integratie van de eigen legereenheden met die van andere Europese lidstaten inhoudt.

Spanning