De ondergang van een wereldrijk

1945. De oorlog tegen fascisties Duitsland en Japan is gewonnen, maar voor de zegevierende Britten is de prijs bijna even hoog als voor de verslagen vijanden.

De positie van wereldmacht nummer één was Engeland al na de Eerste Wereldoorlog kwijt geraakt. Nu, na beëindiging van de Tweede Wereldoorlog, zijn de Britse heersers nog verder gedaald in de wereldhiërarchie. Eigenlijk zijn de Verenigde Staten de enige wereldmacht, die de oorlogsoverwinning om kan zetten in een vrede die haar belangen volop ten goede komt. In Londen staat men voor de vraag, hoe met de nieuwe situatie om te gaan.
De naoorlogse geschiedenis is het verhaal van een groot aanpassingsproces van het Britse kapitaal, dat hiervoor ook de Britse politieke machthebbers mee moest slepen. We zullen deze aanpassing hieronder – themagewijs en niet helemaal chronologies – onder de loep nemen. Dit artikel is het tweede deel van een trits over Groot-Brittannië, die op haar beurt weer deel uitmaakt van een serie over de Europese NAVO-landen. Deel twee beschrijft vooral de veranderingen van het Britse defensiebeleid na 1945 en het belang van de transatlantiese betrekkingen daarbij. In deel een (AMOK nr.1/1987) stond de beginnende aftakeling van het Britse wereldrijk in het begin van deze eeuw centraal. Deel drie (AMOK nr.3/1987) zal de hedendaagse Britse defensiepolitiek behandelen.

Vanuit de hedendaagse situatie teruggekeken, lijkt de ontwikkeling van West-Europa naar het ekonomiese machtsblok EG en het militaire bondgenootschap NAVO, welhaast een soort natuurlijke ontwikkeling. Niet in de laatste plaats vanwege de overal in de westerse wereld verspreide anti-Sovjet-propaganda. Maar in 1945 stonden de zaken er heel anders voor. Zeker, er was door de Westerse geallieerden geprobeerd de USSR en Hitler-Duitsland elkaar zoveel mogelijk te laten afslachten, door pas in een laat stadium (1944) het vasteland van Europa binnen te vallen.
Maar in oktober 1944 (besprekingen tussen Churchill en Stalin in Moskou) en in februari 1945 (conferentie van Yalta) waren afspraken gemaakt over de naoorlogse invloedssferen van Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie in Zuidoost- en Centraal-Europa. En hoewel men de grenzen tussen de invloedssferen liever wat meer naar het Oosten verlegd had, wilde een deel van het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken de afspraken met de USSR handhaven. Deze fractie wilde een Europees machtsblok opbouwen als tegenhanger tegen de economische reus aan de overkant van de Atlantische Oceaan.
Daarin werd men gesterkt door een onvriendelijke stap van de VS onmiddellijk na de overgave van Japan in augustus 1945: het Congres had de Leen-Pacht Wet herroepen. Die wet maakte het voor Groot-Brittannië mogelijk goederen op afbetaling te kopen in de VS. Bovendien hoefde de betaling niet in Amerikaanse dollars. Dit voordeel was nu dus weggevallen, met het gevolg dat de export naar de VS van groot belang werd. Dat was immers de enige manier om dollars te verkrijgen waarmee Amerikaanse rekeningen konden worden betaald. Ter compensatie boden de VS in december een lening aan van $ 650 miljoen, gevolgd door nog eens $ 3.755 miljoen, tegen 2% op jaarbasis, terug te betalen in 50 jaar. Helaas voor de Britten met een voorwaarde erbij: vrije inwisselbaarheid van het Pond Sterling binnen een jaar, waardoor de beschermende muur rond het Sterling-handelsgebied zou worden afgebroken. Als namelijk de landen van het Britse Rijk opeens toegang kregen tot Amerikaanse dollars, zouden ze daarmee goedkope Amerikaanse produkten kunnen kopen. Het Britse Rijk zou, met andere woorden, opengegooid worden voor de Amerikaanse export. Dit kon alleen maar rampzalige gevolgen hebben voor de Britse industrie die in de betreffende gebieden tot dan toe een monopolie bezat. Een andere vleugel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wilde wel op de Amerikaanse voorwaarden ingaan. Zij zagen meer in de vorming van een hechte alliantie met de Amerikanen (met de bijbehorende confrontatiepolitiek tegenover de Russen) en ze wilden bovendien vasthouden aan het Rijk. Over dat laatste zouden ze dus moeten onderhandelen met de Amerikanen, die al begonnen waren met anti-Britse maatregelen.

De ondergang van een imperium

De eerste drie naoorlogse jaren stond de Britse buitenlandse politiek in het teken van de strijd tussen deze twee exponenten van het Britse kapitaal. Ondanks de aanvaarding van de Amerikaanse lening, werden de grenzen van het Rijk niet meteen opengegooid. In West-Europa werd druk onderhandeld met de Fransen en de Russen om weer, volgens het beproefde recept, een ouderwetse Continentale coalitie in elkaar te knutselen tegen Duitsland. Het Verdrag van Duinkerken (maart 1947) was daar een onderdeel van, evenals de pogingen om tot serieuze afspraken met de USSR te komen over de bezettingspolitiek in Duitsland.
De Amerikanen bleven in deze periode onaardig doen. De MacMahon Act (augustus 1946) verbood de uitwisseling van gegevens over nucleaire energie en atoomwapens. Eerdere afspraken met de Britten (zoals die van Quebec in 1943, volgens welke de VS toestemming moesten vragen aan de Britten om de gezamenlijk ontwikkelde atoombommen te mogen inzetten) werden hiermee teniet gedaan. De Britten konden het verder zelf uitzoeken en dat besloten ze dan ook te doen. De Britse regering bepaalde dat er een Brits kernwapen moest komen.
Toch was deze twee-stromingenstrijd over de oriëntatie van het Britse buitenlandbeleid vanaf het begin een bekeken zaak. De zwakke ekonomiese toestand van het Britse Rijk (en van Europa) was bepalend. Om maar een paar cijfers te noemen. De oorlog had Groot-Brittannië een bedrag van 25.000 miljoen pond gekost, verkregen door leningen en de verkoop van overzeese beleggingen. De buitenlandse schuld bedroeg in 1945 3.500 miljoen pond (dat was in 1939 500 miljoen pond geweest). De export was gedaald naar een derde van het volume van de vooroorlogse periode. Dat was niet zo verwonderlijk aangezien een enorm gedeelte van de produktiecapaciteit overgeheveld was naar oorlogsproduktie. Het herstel van deze puinhoop kon niet meer met de eigen middelen. Evenmin was een beroep op de oude koloniën en geassocieerde staten in het Gemenebest mogelijk. Het oude Rijk was namelijk bezig uit elkaar te vallen. Al in 1942 had Sir Stafford Cripps, Labour-minister van het toenmalige Britse coalitiekabinet aan India de onafhankelijkheid moeten toezeggen. Daartoe werden de Britten gedwongen door de nationalistiese Congres-beweging van India en de oorlogssituatie: de Japanners stonden op het punt India binnen te vallen en konden alleen met steun van de Indiase bevolking tegengehouden worden. Die zag geen enkele reden om de koloniale machthebbers te helpen, tenzij tegen een duidelijke belofte voor onafhankelijkheid. Het ‘Jewel in the Crown’ (India) waren de Britten dus zo goed als kwijt. Maar niet meteen en niet helemaal. In de tussentijd zou men er wel voor zorgen dat de nieuwe machthebbers een zeker begrip zouden krijgen voor de aanwezigheid van het Britse kapitaal in India. En zo ging het ook elders. Het veiligstellen van die overgang van het Britse Rijk naar het Gemenebest, een associatie van onafhankelijke landen (althans in politieke zin), was echter een kostbare zaak. Het betekende de handhaving van Britse bases, garnizoenen, vlooteenheden, vliegtuigen en koloniale administrateurs tot dat er gunstige omstandigheden voor de machtsoverdracht waren gerealiseerd. Die waren er bijvoorbeeld niet in Maleisië in 1948, toen een door communisten geleide onafhankelijkheidsbeweging haar strijd begon. Aangezien dit land de grootste dollarinkomsten binnenbracht van het hele Sterling-gebied, besloten de Britten de guerrilla met hand en tand te bestrijden. Na dertien jaar en de inzet van 50.000 soldaten, 250.000 man politie en milities lukte het om 5.000 rebellen te verslaan.
Dergelijke oorlogen laaiden overal in het Britse Rijk op zodra er grotere ekonomiese belangen op het spel stonden. En niet alleen in het Britse Rijk. Ook de Franse, Portugese en Nederlandse koloniën moesten zich vrijvechten tegen hun overheersers.
Het Britse vertragingsbeleid had ingrijpende consequenties. Het handhaven van garnizoenen kon alleen als je een groot aantal manschappen ter beschikking had. De Britten haalden die traditioneel uit India, maar dat land werd in 1947 onafhankelijk. Daarmee viel het door de koloniën geleverde deel van het Britse leger terug van een kwart miljoen man in 1945 naar 87.000 in 1947. Hoe moest dit gat worden opgevuld? Er was slechts één mogelijkheid: terug naar de in 1945 afgeschafte dienstplicht, waar dan ook in maart 1947 toe werd besloten (met ingang van januari 1949).
Toch was het onmogelijk om aan alles vast te houden. De wal van het defensiebudget keerde onvermijdelijk het koloniale schip. In de winter van 1946 werd weer teruggegrepen op de ‘tien jaar regel’. Deze hield in, dat men ervan uitging dat de komende tien jaar geen groot conflict zou uitbreken. Derhalve hoefden geen grote materiaalaankopen plaats te vinden en werden dus bezuinigingen mogelijk. In januari 1947 kondigt de Labour-regering ook de terugtocht uit het Midden-Oosten aan, met het idee om die regio aan de Amerikanen over te laten. De stafchefs, het hoogste militaire bevelsorgaan van het Britse leger, steekt er een stokje voor. Ze kondigt aan op te stappen als het Midden-Oosten wordt verlaten. Hun standpunt is niet zo verbazingwekkend: de helft van de Britse olie-importen komt in tankers door het Suez-kanaal, de Suez-Kanaalzone is een verbindingspunt met de Britse steunpunten in het Verre Oosten.
Aan die steunpunten en koloniën blijft Groot-Brittannië dus nog vasthouden. De lengte van het verblijf wordt bepaald door de Britse belangen. Een maatstaf daarvoor zijn de handelsbetrekkingen. In 1955 gaat 40% van de Britse handel naar de landen van het Rijk, vergeleken met de jaren veertig is dat een vermindering. Maar het ekonomiese gewicht hiervan zal doorwerken in de Britse onderhandelingen over toetreding tot de Europese Gemeenschap.

De Atlantiese vrienden

De Britten wilden teveel: een rijk behouden, een poot in Europa, een front tegen de USSR en ekonomiese hulp voor de wederopbouw van hun ekonomie. Dat laatste gaf voor hen, net als andere West-Europese landen, de doorslag. De banden met de VS werden aangehaald, door een mengeling van dwang en diplomatie. De VS stonden immers niet te springen om zich aan Europa te binden. De 300.000 Amerikaanse manschappen in Duitsland werden in de VS gezien als een tijdelijke bezettingsmacht die spoedig huiswaarts moest keren. Isolationistiese krachten in Washington zagen ook geen nut in een Atlantiese connectie. De verharding van het hulpbeleid voor de Britten was daar een uiting van.
De Britten besloten de zaak op de spits te drijven: in februari ’47 werd de dreiging om uit het Midden-Oosten terug te trekken gevolgd door een openbaar ‘verzoek’ aan de regering van President Truman om de Britse militaire aanwezigheid in Griekenland en Turkije over te nemen. Dit zagen de VS niet zitten, omdat zij een machtsvacuüm vreesden, dat door ‘de communisten’ opgevuld zou kunnen worden. De Amerikanen reageerden op 12 maart 1947 met een verklaring die een keerpunt betekende in hun Europese politiek: de Truman-doctrine. Iedere staat werd voor het blok gezet: je bent voor de USSR of voor ons, een tussenweg is niet mogelijk. De uitspraak torpedeerde een konferentie over Duitse herstelbetalingen die op dat ogenblik in Moskou werd gehouden. Het was in feite de voorbode van een agressief ‘roll-back’-beleid t.o.v.de USSR. In juni 1947 volgde de aankondiging van het Marshall-plan, een giganties project om de West-Europese ekonomie te herstellen en tevens geschikt te maken als markt voor Amerikaanse produkten en kapitaal. In feite betekenden deze stappen dat de Amerikaanse atlantici het pleit gewonnen hadden van de isolationisten.
Met de Marshall-hulp begon ook een grootscheepse uitbouw van de Amerikaans-Britse betrekkingen, die tot de dag van vandaag nog doorwerkt in de Europese politiek. In Engeland had de pro-Amerikaanse vleugel de strijd om de richting van het buitenland-beleid wel gewonnen, maar de Euro-krachten konden nog heel wat nuttig werk doen voor de VS.
De Amerikanen en Britten wilden namelijk een sterk militair blok vormen tegenover het Russiese leger en daarvoor was de mankracht van West-Duitsland onontbeerlijk. Er moesten minstens 12 divisies geleverd worden door de nieuwe bondgenoot, maar er waren natuurlijk landen die daar moeite mee hadden. De Fransen bijvoorbeeld hadden helemaal geen zin in een herbewapend Duitsland als buurland. Zij waren immers al drie keer onder de voet gelopen de afgelopen tachtig jaar en dat vonden ze wel genoeg. De ook met anti-Russiese bedoelingen opgezette Westerse Unie (maart 1948) daarentegen, kon wel hun medewerking krijgen, aangezien Duitsland daar (eerst) niet bij zat. Die Westerse Unie was een keerpunt voor de Britten. Voor het eerst legden ze de aanwezigheid van een aanzienlijke troepenmacht op het vasteland van Europa in vredestijd vast. Aan de ook voorgestelde Europese Defensie Gemeenschap (EDG) wilden ze echter niet echt deelnemen, omdat daarbij Britse troepen onder Europees kommando gesteld zouden worden. En zonder de Britten als tegenwicht voor de Duitsers, wilden de Fransen er ook niet aan beginnen. Vele jaren van moeizame onderhandelingen volgden, totdat het EDG-verdrag afsprong op de weigering van het Franse parlement om het te ratificeren. Intussen waren in maart 1948 in Washington geheime onderhandelingen begonnen tussen Groot-Brittannië, de VS en Canada over een Atlanties bondgenootschap. Die mondden uit in de ondertekening van het Atlanties Pact op 4 april 1949. Overigens deden zoals bekend nu ook de Fransen mee. In het kader van de NAVO werd ook de aanwezigheid van Amerikaanse troepen op het Europese vasteland vastgelegd.

Amerikaanse bommenwerpers

We lieten de Britten in 1946 achter, mokkend bezig een eigen kernwapen te ontwikkelen. In oktober 1952 zouden ze er inderdaad in slagen, hun eerste bom tot ontploffing te brengen. Inmiddels was de strategiese defensiesamenwerking met de VS weer hersteld. In 1947 kwamen er, zogenaamd tijdelijk, strategiese bommenwerpers van het type B-47 naar Engeland om van daaruit tegen de Sovjet-Unie te kunnen opereren. Het tijdelijke verblijf werd permanent. Er werden een aantal bases beschikbaar gesteld door de Britse Royal Air Force en sindsdien is er een vaste aanwezigheid van Amerikaanse bommenwerpers in Engeland. In de loop der jaren is het type wel regelmatig veranderd. Latere types (B-52, B-1) konden vanaf het Noordamerikaanse vasteland de Sovjet-Unie bereiken, dus was de Britse springplank, het ‘onzinkbare vliegdekschip’, militair gezien niet meer nodig. Toch bleef men er atoomwapensystemen opstellen. Vandaag zijn dat de middellange afstandsbommenwerpers van het type F-111 en de kruisvluchtwapens. Formeel zijn deze bedoeld om ingezet te worden in Centraal-Europa, maar de aanval op Libië van vorig jaar bewees dat er ook andere opties bestaan. De aanwezigheid van de Amerikaanse wapensystemen in Groot-Brittannië is ook een symbool voor de politieke relaties tussen de twee landen. Een relatie waarbinnen de Britten duidelijk op de tweede plaats staan. De aanwezigheid van de Amerikanen bracht een pijnlijk probleem met zich mee. Stel dat de Amerikanen hun atoomwapens willen
inzetten en de Britten willen het niet? Wie krijgt er dan gelijk? Om begrijpelijke redenen is dit probleem door de Britten altijd zoveel mogelijk buiten de publiciteit gehouden. Ze hebben namelijk niets te zeggen over de inzet van deze wapens. De enige toezegging die de Amerikanen ooit hebben gedaan, bestond uit een mondelinge belofte, gegeven door president Truman aan premier Attlee in december 1950, dat er vóór inzet consultatie zou plaatsvinden. De Amerikaanse president mocht niets zwart op wit vastleggen, omdat hij daarmee zijn eigen bevoegdheden om oorlog te voeren zou inperken. Dat zou tegen de Amerikaanse grondwet ingaan, met als gevolg dat het Congres dwars zou gaan liggen.

Onafhankelijke kernmacht

In 1958 werd de MacMahon Act voor de Britten geamendeerd, om uitwisseling van data over atoomwapens weer zo volledig mogelijk te maken. Ondanks de hoge kosten waren de Britten aan het einde van de veertiger jaren begonnen hun eigen strategiese atoommacht te ontwikkelen: de ‘V-bomber Force’. Deze bestond in zijn uiteindelijke vorm uit 180 middellange afstandsbommenwerpers die elk één atoom-of waterstofbom konden dragen. Tegen het eind van de jaren vijftig werden de Russiese luchtafweersystemen zo effektief dat het systeem in feite alweer verouderd was na enkele jaren dienst.
Er werd dan ook gewerkt aan een eigen raketsysteem, Blue Streak, dat de bommenwerpers zou vervangen. Blue Streak was een middellange afstandsraket, met een bereik van ongeveer 3000 kilometer. Het programma werd echter geannuleerd voordat het goed en wel van de grond was. Men vond het te duur en er werd een alternatief aangeboden in de vorm van de Amerikaanse Skybolt, een raket die vanuit bonmmenwerpers kon worden afgevuurd op een afstand van 1600 kilometer van het doel. De Skybolt werd echter ook geschrapt, door de Amerikanen, en men kwam tenslotte terecht bij de Polaris, een ballistiese raket gelanceerd vanuit een onderzeeboot. Deze kon pas in 1968 beschikbaar zijn en om het gat te helpen overbruggen werden de V-bommenwerpers uitgerust met Blue Steel, een raket die op een afstand van 200 kilometer van het doel kon worden gelanceerd.
Tot zover het officiële verhaal. Graaft men echter wat dieper, zoals de Britse onderzoeksjournalist Duncan Campbell deed, dan stuit men op een essentieel gegeven: de zogenaamde ‘onafhankelijke Britse afschrikkingsmacht’ is niet zo onafhankelijk. Integendeel, haar hele ontwikkeling was afhankelijk van Amerikaanse bijstand. Behalve de eerste Britse A- en H-bomontwerpen, werden de meeste latere ontwerpen gewoon van de Amerikanen overgenomen. Dit geldt zowel voor de kernkoppen van de V-bommenwerpers als voor die van de Polarisvloot en voor de nucleaire kernkoppen. Slechts de Chevaline– en de Trident-systemen hebben of krijgen kernkoppen die door de Britten ontworpen zijn.
In de periode 1958-63 werden een zestigtal Amerikaanse Thor middellange afstandsraketten onder Brits-Amerikaans beheer in Engeland gestationeerd (dit keer wel met Brits vetorecht op lancering). Ze werden weer opgeruimd zodra de Amerikanen dat nodig vonden, waarschijnlijk als onderdeel van een deal tussen president Kennedy en premier Chroestsjow, in ruil voor het terughalen van Russiese raketten uit Cuba.
De Amerikaanse hulp voor de Britten was niet filantropies. Bij elk verdrag werd iets teruggeëist. Zo kregen de Amerikanen in ruil voor de beloofde Skybolts (die dus niet eens geleverd werden) de kernonderzeeërbasis Holy Toch in Schotland. De Polaris-raket kon alleen geleverd worden doordat de Britse strategiese strijdmacht (inklusief een deel van de V-bommenwerpers) naar de NAVO-kommandostruktuur werd overgeheveld (waar de Amerikanen er meer invloed op uitoefenden). Dit genomen besluit kan alleen in extreme omstandigheden teruggedraaid worden. Deze voorwaarden werden in 1980 afgesproken voor de leverantie van de vervanger van de Polaris, de Trident-raket.
Nog een onderdeel van de Polaris-afspraken was het overhandigen van diverse stukjes van het Britse rijk aan de Amerikanen. De schandalige verkoop van het eilandje Diego Garcia in de Indiese oceaan, compleet met een Britse belofte om de bevolking te verwijderen, was zo’n deal. Tenslotte zijn de restricties die aan de Britten zijn opgelegd met betrekking tot het Trident-systeem opvallend. De Britten mogen zelfs niets te weten komen over de kans van de Trident-raketten om door de Russiese verdedigingssystemen heen te komen.
Volgens Campbell is het ook zeker dat enkele tonnen plutonium, geschikt voor het maken van kernkoppen, door Britse civiele reactoren geleverd zijn aan de VS. De Brits-Amerikaanse ‘speciale relatie’ blijkt in het geval van de kernwapens een pijnlijke afhankelijkheid te zijn.

Taktiese kernwapens als wondermiddel

Het Britse rijk brokkelde in de jaren vijftig, zoals hierboven gesteld, gestaag af. Maar niet snel genoeg voor de zuinige boekhouders op het Ministerie van Defensie. Tot overmaat van ramp kwam in 1950 de Koreaanse oorlog er ook nog hij. Van de Britten werd een bijdrage gevraagd. Het ging immers om de strijd tegen het communisme. Alras werden een Britse brigade en een aantal luchtmacht- en marine-eenheden naar het Verre Oosten gestuurd. Maar de Amerikanen wilden meer. Ook in Europa moest er een flinke uitbreiding van de conventionele strijdkrachten komen en dit resulteerde in zeer ambitieuze defensiebegrotingen. Na een paar jaar rond de 800 miljoen pond te hebben geschommeld, werd in 1950 voor de periode tot 1953 een budget vastgesteld van gemiddeld 1.133 miljoen pond per jaar. In januari 1951 werd dit bedrag zelfs verhoogd tot 1.566 miljoen pond.
Ernstige betalingsbalansproblemen dwongen de nieuwe conservatieve regering ertoe dit bedrag weer te verlagen tot een gemiddelde van 1.175 miljoen pond. Toch kwam men in 1953 op een jaarlijks bedrag van meer dan 1.700 miljoen pond terecht, dat pas na de invoering van de Amerikaanse ‘New Look’-strategie weer kon verminderen. Deze strategie was gebaseerd op het gebruik van kernwapens en vermeed dus het gebruik van dure conventionele systemen. De toename van het defensiebudget ging voor een groot deel op aan de handhaving van het Britse Rijnleger. Als gevolg van de NAVO-verplichtingen moesten de Britten nu permanent een korps (van ongeveer 77.000 man) in Duitsland handhaven. Tegelijkertijd voerden ze een contra-guerrillaoorlog in Maleisië en hielden ze vast aan een groot garnizoen in de Suez-Kanaalzone. Dit was allemaal een beetje teveel van het goede en vanaf 1954 grepen de opeenvolgende conservatieve regeringen naar twee kunstgrepen om in ieder geval de indruk te wekken dat ze vasthielden aan het Rijk en voldeden aan hun NAVO-verplichtingen.
De eerste maatregel was de aanschaf van het wondermiddel van de taktiese kernwapens. Dezen zouden een goedkope vervanging zijn van de massa’s conventionele troepen die tot dan toe nodig geacht werden om de strijd met het Rode Leger aan te gaan. De basis hiervan vormde de strategie van de ‘massale vergelding’, die inhield dat de Amerikanen in het geval van oorlog in West-Europa bereid waren, Moskou plat te gooien. De taktiese kernwapens zouden dan de eerste schok moeten opvangen. Overigens dacht men ook aan de inzet van taktiese kernwapens in de Derde Wereld.
De tweede kunstgreep was het idee van de ‘Central Strategie Reserve’. Een troepenmacht ter grootte van een divisie die in Groot-Brittannië klaar moest staan om naar elke bedreigde hoek van het Britse Rijk te worden gevlogen.
De Centrale reserve werd in een aantal ‘White Papers’ (toelichtingen op de defensiebegroting) genoemd als de manier om snel troepen naar het Verre Oosten over te plaatsen. Wat enigszins verzwegen werd was de zeer beperkte luchtvervoerkapaciteit van de Royal Air Force. Men kan hoogstens een paar duizend man over een afstand van enkele duizenden kilometers vervoeren en dat duurde dan ook nog meerdere dagen. Dit was te weinig om effektief in te kunnen grijpen tegen een revolutionaire ontwikkeling aan de andere kant van de wereld. Deze situatie bleef zo tot aan het begin van de jaren zestig.

Het Suez-debacle

De gebrekkige voorbereiding op operaties in de Derde Wereld bleek tijdens de Suez-crisis in 1956. Het Britse leger was niet in staat op korte termijn een interventiemacht op grote afstand in te zetten.
Suez was, na India, het duidelijkste bewijs van de ineenstorting van de Britse koloniale macht. Na de terugtrekking van het Britse leger uit Egypte naar Cyprus (1954) had het door kolonel Nasser geleide Egypte het Suez-kanaal genationaliseerd. De Fransen, Britten en Israëliërs zetten een grote militaire operatie op om het terug te pakken. De operatie slaagde ten dele, maar de Britten hadden de politieke steun voor hun avontuur verkeerd geschat. Bovendien duurde het zolang voordat ze invasiemacht bij elkaar hadden, dat de tegenpartij tijd had om tegenmaatregelen te nemen. Het thuisfront (inklusief de Conservatieve Partij) was zwaar verdeeld en de grote Amerikaanse broer faliekant tegen. De agressors werden dringend verzocht om op te stappen, hetgeen ook geschiedde.
De mislukking maakte twee zaken duidelijk:
(1) Het Britse leger was niet langer in staat om dergelijke operaties snel en efficiënt uit te voeren.
(2) De VS voerde in de oude koloniale gebieden een beleid dat desnoods regelrecht tegen de NAVO-bondgenoten inging.
Het White Paper van 1957 markeert het beleidskeerpunt van de jaren vijftig. De bezuinigingen in het defensiebudget worden serieus doorgevoerd, de dienstplicht afgeschaft (met ingang van 1960). Maar er is meer: een aantal garnizoenen worden opgedoekt (onder andere Jordanië en Korea): de NAVO-bijdrage moet van 77.000 man terug naar 64.000 man; de net ontwikkelde Britse H-bom wordt een goedkoop alternatief voor een aantal conventionele taken. Om de imperialistenlobby rustig te houden wordt er werk gemaakt van het opzetten van een aantal transportmiddelen voor de Centrale Reserve. En om al te recalcitrante generaals en admiraals in het gareel te houden, wordt het administratieve apparaat van het ministerie gecentraliseerd. Na een verwoed achterhoedegevecht van de militaire top krijgt de nieuwe richting van minister Duncan Sandys de overhand: het geslonken Britse beroepsleger zal ‘slechts’ op 185.000 man kunnen rekenen, waarvan er na de diverse ‘aftrekposten’ voor Europa slechts 25.000 overblijven voor inzet in andere werelddelen.
Concluderend valt moeilijk te zeggen, wanneer precies het Britse Rijk ten onder is gegaan. De eerste vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog waren rampzalig voor de imperialistiese vleugel van het Britse kapitaal. Maar deze krachten waren sterk genoeg om de terugtocht ernstig te vertragen. In ieder geval was 1957 een keerpunt wat betreft de defensiepolitiek. Het Britse oorlogsapparaat ging vanaf dat moment in de eerste plaats op Europa en de verbindingen tussen de VS en Europa richten. Tegelijkertijd begon het moeizame proces van integratie in de EG. De overgang van Rijk naar EG werd ook nog door andere krachten geremd, namelijk door die machtsgroeperingen die vonden dat de toekomst van de Britten het beste door de Amerikanen werd gegarandeerd. Over deze tegenstellingen en de ‘nieuwe’ Britse bemoeienissen in het Midden-Oosten en Zuid-Afrika verhaalt het derde en laatste deel van deze reeks in het volgende nummer van AMOK.

Gebruikte literatuur:
– Mededelingen van de Subfaculteit der Algemene Politieke en Sociale Wetenschappen, Universiteit van Amsterdam. nr.31, ‘A Star is born’: Militaire alliantievorming in de Atlantische regio 1945-1948 C. Wiebes, B. Zeeman (Amsterdam jan 1983)
– De Geallieerden en Duitsland (skriptie over de geallieerde bezettingspolitiek in 1945)
– Standaardgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog deel 7 (Antwerpen, Amsterdam 1978)
– Bartlett, C.S., A History of Postwar Britain 1945-1974 (London 1977)
– Snyder, William P., The Politics of British Defense Policy 1945-62 (Ohio, 1964)
– Campbell, Duncan, The Unsinkable Aircraft Carrier
– American Military Power in Britain (London 1984)
– Barker, Elisabeth, Britain in a Divided Europe 1945-1970 (London 1971)
– Darby, Phillip, British Defence Policy East of Suez 1947-1968 (London,1973)

AMOK