Offensieve militaire strategie is geen bewijs voor Sovjet-expansionisme

Uit de enorme verwoestingen die de Tweede Wereldoorlog in de Sovjet-Unie teweeg had gebracht resulteerde de wil van de Sovjet-leiding om nooit meer een oorlog op het eigen grondgebied toe te laten.

Dit vond zijn weerslag in een offensieve militaire strategie van het Warschau Pakt, die er steeds op gericht was een eventuele nieuwe oorlog in Europa zo snel mogelijk op Westeuropees grondgebied uit te vechten. Deze offensieve militaire strategie werd door de NAVO-propaganda steeds gebruikt als ‘bewijs’ voor het veronderstelde ‘Sovjet-expansionisme’ en voor de stelling dat de ‘Russische beer’ uit zou zijn op een inlijving van West-Europa. In werkelijkheid heeft de Sovjet-leiding zich altijd neergelegd hij de door de Tweede Wereldoorlog ontstane tweedeling van Europa. De op het behoud van de status quo gerichte Sovjet-politiek betekende bijvoorbeeld dat Moskou vlak na de Tweede Wereldoorlog de kommunisten in de Griekse burgeroorlog in de steek liet, omdat Griekenland nu eenmaal ingedeeld was bij de Westerse invloedssfeer. De diskussie over de militaire krachtsverhoudingen in Europa en de betekenis van bepaalde militaire strategieën of doktrines wordt vaak vertroebeld door de verschillende definities die in Oost en West worden gehanteerd. Onderstaand artikel probeert hier enige duidelijkheid in aan te brengen en stelt dat een bepaalde militaire strategie niet per se konklusies over de politieke bedoelingen toelaat. De auteur werkt verder de these uit, dat het militaire beleid van het Warschau Pakt meestal verklaard kan worden als reaktie op bepaalde ontwikkelingen aan NAVO-zijde. In de militaire verhoudingen tussen Oost en West is de NAVO meestal de partij die ageert, terwijl het Warschau Pakt op grond van zijn relatieve zwakte gedwongen is te reageren.

Al vanaf de geboorte van de meeste vredesaktivisten staan in Centraal-Europa de legers van NAVO en Warschau Pakt tegenover elkaar. Die situatie is niet altijd zo geweest. Ze vloeide rechtstreeks voort uit de naoorlogse verhoudingen. Die waren vrij eenvoudig: fascistisch Duitsland was verslagen, geallieerde legers waren tot stilstand gekomen midden in het land, een situatie die een potentiële nieuwe bron van konfrontatie vormde. Binnen enkele jaren viel het anti-Hitler-bondgenootschap (waarvan de VS, de SU, GB, Frankrijk en China de belangrijkste leden waren) uit elkaar en werd een nieuw Westers bondgenootschap opgezet. De NAVO stelde zich politiek ten doel de Sovjet-Unie te bedreigen. In militair opzicht betekende dit de ontplooiing van de daarvoor geschikte middelen. De Sovjet-Unie was na de oorlog een puinhoop. Het land had enorme ekonomische schade geleden, minstens tien miljoen mensen waren om het leven gekomen. Deze ervaring was bepalend voor het militaire denken in de Sovjet-legerleiding. Nooit mocht er weer een oorlog op Russisch grondgebied plaatsvinden!

Militaire strategie en politiek beleid

In al de openbare debatten, die sedert de Tweede Wereldoorlog over het vermeende militaire overwicht van het Warschau Pakt hebben plaatsgevonden, zijn heel vaak een aantal koncepten door elkaar gehaald, die te maken hebben met de relatie tussen oorlog en politiek. Zo is militaire strategie – dat wil zeggen een omschrijving van de manier waarop een oorlog gevoerd zou moeten worden, bijvoorbeeld aanvallend of verdedigend – gelijkgesteld met de politieke bedoelingen van de Sovjet-Unie. Dit misverstand heeft tot veel verwarring geleid. De Sovjet-Unie had steeds een aantal offensieve militaire strategieën in de kast liggen om in geval van oorlog te gebruiken. De strijdkrachten worden opgeleid, bewapend en opgesteld om die strategieën te kunnen uitvoeren. Deze voorbereidingen betekenen echter geenszins – zoals vaak wordt gekonkludeerd – dat de Sovjet-Unie van plan is of was om West-Europa aan te vallen en in te lijven. De aanvalsstrategieën van het Russische leger zijn een direkt uitvloeisel van de ervaringen van de Sovjet-Unie in de Tweede Wereldoorlog. Zij verschaffen Moskou mogelijk bepaalde voordelen in geval van oorlog, maar duiden niet automatisch op het politieke voornemen van een agressie-oorlog. Een offensieve militaire strategie kan dus samengaan met een defensieve politieke opstelling.
Het onderscheid tussen politiek doel, strategie en operationele doktrines is van groot belang in de diskussie over de militaire balans tussen de NAVO en het Warschau Pakt (zie de uitleg in het kader elders in dit artikel). In al die jaren van West-Oost-konfrontatie is er immers stilzwijgend van uitgegaan dat a) het Warschau Pakt de bedoeling had om een militair offensief te ontketenen, b) er een militair overwicht van het Warschau Pakt was en c) dit betekende dat de WP-legers West-Europa zouden kunnen overweldigen, als de NAVO niet sterk bleef.
Dit beeld werd er bij de bevolkingen van de NAVO-staten steeds ingehamerd en maakte deel uit van de bestrijding van de linkse beweging in die landen, met name van de kommunistische partijen. De verzonnen externe dreiging was een handige methode om een nationale konsensus af te dwingen. Bange mensen zijn altijd een steunpilaar voor hoge defensie-uitgaven. De politieke sfeer van de Koude Oorlog was zelfs zodanig, dat het mogelijk was om overal in Europa kernwapens te plaatsen, zonder dat er enigerlei openbaar debat had plaatsgevonden. Dezelfde truuk werd door de Sovjet-regering toegepast op de eigen bevolking. De NAVO is steeds voorgesteld als de zoveelste Westerse macht die invasieplannen koesterde. De Russische bevolking had overigens betere redenen dan de Westerse om dit verhaal te geloven. Dit wil niet zeggen dat er in al die jaren nooit sprake was van agressieve bedoelingen van de NAVO of het Warschau Pakt. Er is herhaaldelijk op de rand van de afgrond gemanoeuvreerd om politieke doeleinden na te streven. In die politieke schermutselingen speelden de aard, de kracht en de geografische opstelling van de wederzijdse strijdkrachten steeds weer een rol. Er was echter nimmer sprake van het beginnen van een agressie-oorlog tegen het andere bondgenootschap.
Bovendien was er ook sprake van een zekere eigen dynamiek van de wapenwedloop, waardoor technologische ontwikkelingen gevolgd werden door veranderde opvattingen over militaire doktrine, dus ook over strategie en taktiek in tijd van oorlog. En dit leidde steeds weer tot wijzigingen in de bewapening, de organisatie en de geografische opstelling van de troepen van beide kanten. Een snelle blik op de naoorlogose geschiedenis bevestigt deze stelling.

Veranderende militaire strategieën

Mark Urban, een Westerse defensie-expert die beslist niet van progressieve gedachten beschuldigd kan worden, gaf in het Britse militaire tijdschrift ‘Armed Forces’ in 1985 (1) een uiteenzetting over de sedert 1945 veranderende militaire strategie van het Sovjet-leger tegenover West-Europa. In een opmerkelijke inleiding stelt hij:
– dat de balans tussen de Sovjet-strijdkrachten in de DDR en de NAVO-strijdkrachten in Noord-West-Europa in de loop der jaren steeds meer in het nadeel van het Warschau Pakt is veranderd;
– dat de veranderingen die hebben plaatsgevonden in de ‘Group of Sovjet Forces in Germany’ (GSFG, de Russische legermacht in de DDR) steeds een reaktie waren op technologische veranderingen in de NAVO-legers of wijzigingen in de militaire strategie van de NAVO;
– dat de Westerse militaire en politieke elites zichzelf hebben belazerd als ze hebben geloofd in een op handen zijnde verrassingsaanval van het Warschau Pakt tegen West-Europa. De militaire
kapaciteit van het WP was daar simpelweg nooit afdoende voor.
Vervolgens beschrijft Urban de wijzigingen in de militaire plannen van het Warschau Pakt sedert de Tweede Wereldoorlog. In de eerste naoorlogse periode vond er een grootscheepse demobilisatie van manschappen plaats. Deze werd stopgezet toen de Koude Oorlog-periode intrad, gemarkeerd door de oprichting van de NAVO in 1949. De nukleaire doktrine van de NAVO was gebaseerd op een massaal nukleair overwicht en hield in dat er op grote schaal atoomwapens zouden worden ingezet in geval van oorlog. Deze dreiging had tot gevolg dat de GSFG-legers werden gereorganiseerd in de diepte. De Sovjet-leiding hoopte dat de eerste groep legers (het ‘eerste echelon’) de ergste gevolgen van de atoomwapens zou absorberen, zodat volgende groepen (echelons) de al eerder genoemde aanvalsdoktrine zouden kunnen uitvoeren. Aanvallen was het centrale devies van de Sovjet-legertop, met handen en voeten gebonden aan het idee om de oorlog hoe dan ook op andermans grondgebied te voeren. Tegen het einde van de vijftiger jaren was de Russische oorlogsindustrie zover dat ze op massale schaal kernwapens kon afleveren. De GSFG-legers konden er voortaan zelf ook mee gaan smijten, hetgeen werd beschouwd als voldoende reden om in 1957 41.000 man troepen terug te trekken naar de Sovjet-Unie. Om vergelijkbare ekonomische redenen was de NAVO al eerder overgegaan op het opstellen van atoomwapens. Die waren aanzienlijk goedkoper dan het streven naar een strijdmacht van 100 konventioneel bewapende divisies, zoals op een NAVO-vergadering aan het begin van de jaren vijftig was geopperd.
Naast de taktische kernwapens werden in de Russische strijdkrachten ook strategische kernwapens ingevoerd, zoals de VS ze al jaren hadden. De militaire dreiging die van de Russische kernwapens uitging resulteerde in een herziening van de nukleaire doktrine van de VS en dus ook van de NAVO. Door het ‘aangepaste antwoord’ (flexible response), officieel in december 1967 ingevoerd, zou het misschien mogelijk zijn om een eventuele kernoorlog tot Europa te beperken. Dat dachten de Amerikanen, al zeiden ze het niet in het openbaar. De West-Europeanen moesten zich tevreden stellen met de belofte van koppeling. Die houdt in, dat als de NAVO een oorlog dreigt te verliezen de VS hun strategische kernmacht in zullen zetten ter verdediging van West-Europa.
In reaktie op deze nieuwe NAVO-strategie werden de Russische oorlogsplannen omgegooid. De taktische kernwapens, die de NAVO dreigde te gebruiken als de oorlog niet konventioneel in haar voordeel zou worden beslist, moesten volgens de nieuwe Russische strategie in geval van oorlog met de grootst mogelijke spoed worden veroverd. Om dit te bereiken werden de GSFG-legers weer heringedeeld. Zoveel mogelijk sterkte werd voorin geplaatst, in het eerste echelon aan de grens. Vanaf 1964 – toen al duidelijk was dat de NAVO-strategie aan het veranderen was – werden vier van de vijf GSFG-legers direkt aan de grens met de BRD gelegerd.
Omdat een kernwapen-inzet door de NAVO een direkte bedreiging vormde voor elke troepenkoncentratie van de WP-legers, moesten de WP-divisies zoveel mogelijk vuursteun (kanonnen, vliegtuigen) krijgen, op zo laag mogelijk nivo in de bevelsstruktuur. Meer vuurkracht verspreid over een groter gebied betekende immers dat er minder troepen op een plek gekoncentreerd hoefden te worden. Dus werden de lagere militaire hoofdkwartieren uitgerust met de genoemde extra middelen (artillerie, luchtsteun). Verder werd de mobiliteit van de GSFG-strijdkrachten aanzienlijk opgevoerd. Snelheid en een snelle doorbraak stonden centraal. Er was ook meer materiaal nodig om snel over rivieren heen te kunnen komen.
Dit was aan het begin van de jaren zeventig de militaire doktrine van het Warschau Pakt: Als er een oorlog uit zou breken in Europa, dan moest een doorbraak worden geforceerd met de bedoeling om de taktische kernwapens van de NAVO zo snel mogelijk met konventionele middelen uit te schakelen. Theorie en praktijk stonden echter ver uit elkaar. Dit bleek tijdens een paraatheidstest van de GSFG in mei 1972, toen de Russische troepen niet in staat bleken om snel gevechtsklaar te zijn. Overmatig veel vertrouwen in eigen kunnen hadden de GSFG-generaals ook niet. In de periode dat het Westduitse leger sterk werd uitgebreid en de aantallen troepen in Oost- en West-Duitsland min of meer gelijke aantallen bereikten (tussen 1956 en 1969) werden steeds meer taktische kernwapens ingevoerd in de GSFG-strijdkrachten.

Amerikaanse konfrontatiepolitiek

Aan het einde van de jaren zeventig maakten technologische ontwikkelingen in het Westen de ontwikkeling van een nieuwe NAVO-oorlogsdoktrine mogelijk. Behalve het opvangen van de eerste aanvallende WP-echelons konden ook de daarop volgende echelons in de diepte worden aangevallen. De wapens om dat te doen waren zo ver ontwikkeld dat dit praktisch mogelijk werd. Het ging met name om verreikende doelzoekende raketten, moderne doelopsporingsmethoden en geavanceerde elektronische oorlogsvoering. De Amerikaanse Airland Battle-doktrine (ALB) voorzag niet alleen in de toepassing van deze nieuwe wapens, maar ook in een ander soort opleiding van de officieren en manschappen. Men moest zich een flexibele denkwijze aanmeten, gericht op het snel reageren op aanvallen of op het zelf in de aanval gaan (2). De zwaartepunten van de vijand moesten uitgezocht en met alle beschikbare middelen worden aangevallen: nukleair, biologisch en chemisch. Vooral dit laatste element maakte het – in verband met de te verwachten politieke oppositie in West-Europa – noodzakelijk om slechts een gedeelte van ALB in NAVO-verband over te nemen. In de Follow-On-Forces-Attack-doktrine (FOFA) had men het slechts over het uitvoeren van aanvallen op troepen in het achterland, met behulp van de nieuwe wapentechnologie. Dit betekende dus dat een deel van de NAVO-legers, namelijk de Amerikaanse, de Airland Battle-oorlogsdoktrine hanteren en de rest niet.
De invoering van ALB door de VS-strijdkrachten weerspiegelde een wijziging in de politieke strategie van de VS, die zich in de laatste jaren van Carters presidentschap en in het eerste termijn van Reagan voltrok. Dit behelsde het ‘terugveroveren’ van ‘aan het kommunisme verloren gegane landen’ over de hele wereld en een hardere opstelling tegenover de Sovjet-Unie. Dit kwam tot uiting in een aantal spionage-incidenten en in een reeks gebeurtenissen op diplomatiek en ekonomisch vlak, die allen wezen op een konfrontatiepolitiek. Dit is niet hetzelfde als een plan om een oorlog te beginnen tegen de Sovjet-Unie, maar het Pentagon deed alles wat mogelijk was om een wereldwijd militair overwicht te kreëren: te land, ter zee en in de lucht. Als een oorlog op een gegeven moment dan ‘onvermijdelijk’ zou worden, dan wilden de Amerikaanse strategen het eerst toeslaan. Volgens een onthulling in een recent verschenen boek (3) heeft dit in november 1983 – in de periode na het neerschieten van een Zuidkoreaans vliegtuig boven Russisch grondgebied en tijdens een geheime NAVO-oefening (kodenaam: Able Archer) waarbij kernwapens werden betrokken – tot een krisissituatie geleid. De politieke leiding van de Sovjet-Unie zou op dat moment overtuigd zijn geraakt van de mogelijkheid van een op handen zijnde verrassingsaanval door de NAVO. De Sovjet-top zou hierop gereageerd hebben met een gedeeltelijke mobilisatie van haar nukleaire strijdkrachten. Na dit incident werd de teneur van de Amerikaanse konfrontatiepropaganda enigszins verzacht.
De Sovjet-Unie reageerde op het Amerikaanse wapenprogramma door een verhoogde inspanning in de produktie van een aantal konventionele wapens: tanks, vliegtuigen, artillerie, pantservoertuigen en vooral aanvalshelikopters. Bovendien werd de geografische opstelling van de GSFG-legers weer veranderd. Drie legers bleven aan de grens met West-Duitsland gelegerd, twee werden daarachter opgesteld. Dit had vermoedelijk te maken met de Russische bezorgdheid over Amerikaanse aanvallen tot diep in het achterland.
De Irangate-affaire plus het gewijzigde Sovjet-beleid onder Gorbatsjov hebben nu weer een wijziging in de politieke strategie van de VS teweeg gebracht. Washington is meer bereid tot politieke kompromissen. Desalniettemin blijft het militair aanvalsplan Airland Battle onverminderd van toepassing en is er nog steeds een grootscheepse uitbreiding van de nukleaire strijdkrachten van de VS aan de gang.
In de loop van 1988 verschenen er berichten in de pers (4) die wezen op een wijziging in de militaire doktrine van het WP. Volgens een artikel van kolonel-generaal Makhmut Gareyev zou de Sovjet-Unie willen overstappen op een defensieve doktrine onder het motto van minimale, noodzakelijke verdediging. Onder deze doktrine zouden de Russische strijdkrachten overstappen op een defensieve strategie, althans in de beginfase van een volgende oorlog (zie hiervoor het verhaal over het begrip doktrine in de Sovjet-terminologie, in het kader ‘Doktrine en strategie’ elders in dit artikel). Dit wil zeggen dat de Sovjet-Unie zou volstaan met slechts die troepen en middelen die een NAVO-aanval kunnen tegenhouden. In hoeverre de bijbehorende wijzigingen in de organisatiestruktuur, bewapening en geografische opstelling van de WP-troepen inmiddels daadwerkelijk zijn uitgevoerd, is onduidelijk. Wel worden een aantal divisies en de bijbehorende taktische kernwapens teruggetrokken.

Op weg naar een minimale defensie?

In de nu al veertig jaar durende naoorlogse konfrontatie tussen NAVO en Warschau Pakt zijn er steeds wijzigingen geweest in de militaire strategie van beide bondgenootschappen. Meestal waren het technologische of politieke ontwikkelingen aan NAVO-zijde die een reaktie van het Warschau Pakt afdwongen. Daarbij ging het niet alleen om een politieke maar ook een militaire reaktie. Dat wil zeggen: opvoering van het aantal beschikbare kernwapens, bepaalde type konventionele wapens, en vooral ook wijzigingen in de operationele richtlijnen. Uit een inherent zwakkere positie is de Sovjet-Unie er in geslaagd om een indruk van overweldigende overmacht te vestigen, die simpelweg nooit heeft bestaan. De jongste ontwikkelingen in de WP-legers, zoals het ombouwen van een deel van de oorlogsindustrie naar de civiele sektor, wijzen erop dat een fundamentele wijziging plaats zal vinden in de oude militaire doktrines.

Noten:
1) Armed Forces, februari, maart en april 1985 (Engeland).
2) Zie hoofdstuk 2 van de handleiding van het Amerikaanse leger voor ALB, Field Manual 100-5, 1986 ‘Fundamentals of Airland Battle’.
3) Gordon Brook-Shepherd: The Storm Birds, Engeland, 1988. Als bron wordt de Russische overloper Oleg Gordievski aangehaald. Zie verder ook: De Morgen, 17-10-1985 en NRC-Handelsblad, 11-2-1989.
4) Makhmut Gareyev: The Revised Soviet Military Doctrine; in: Bulletin of the Atomic Scientists. december 1988.

Doktrine en strategie

Veel van de verwarring in de openbare diskussie over de krachtenbalans tussen NAVO en Warschau Pakt wordt veroorzaakt door de verschillende definities die er gehanteerd worden door beide kanten. Het WP gebruikt het koncept ‘militaire doktrine’ dat uiteenvalt in twee elementen: een politiek element en een militair-technisch element (zie noot 4). Het eerste is in de naoorlogse periode altijd defensief geweest (dus geen politieke aanvalsbedoelingen). Het tweede omvat onder andere militaire strategie en die is offensief. Volgens de schrijver van het artikel, aangehaald in noot 4, zou dit tweede element nu ook gaan veranderen, namelijk van offensief naar defensief. In de WP-terminologie wordt de NAVO gezien als offensief in zowel politieke (zie de politiek onder de eerste jaren van Reagans presidentschap) als militaire zin (gewezen wordt op de wereldwijde aanwezigheid van Amerikaanse militaire installaties en troepen). In het NAVO-woordgebruik, dat in de Westerse media overheerst, wordt militaire strategie gelijkgesteld aan politieke bedoelingen. De offensieve militaire strategie van de Sovjet-Unie bevestigt de politieke analyse, die de Sovjet-Unie als een agressor beschouwt.
Airland Battle is in het Westerse woordgebruik een doktrine. Daarmee wordt een manier om te vechten bedoeld. ‘Doktrine’ is in de Westerse terminologie dus een aanzienlijk beperkter begrip dan in de Russische. Aan Russische kant kan men ervoor kiezen om ALB als een gewijzigde politieke opstelling van de VS/NAVO te zien (ALB als doktrine met een militair-politieke komponent).
De Amerikaanse definitie ontkoppelt de militaire bedoeling van de politieke. Zo wordt een stelsel plannen over de manier om een oorlog te voeren verzelfstandigd. Het komt als het ware uit het niets voort. In werkelijkheid is naar mijn mening een wijziging van de militaire strategie het gevolg van een ingewikkelde mengeling van politieke, ekonomische, militair-technische en technologische faktoren. De kunst voor de buitenstaander is om bij elke wijziging in militaire doktrine (zowel in de Russische als in de Amerikaanse zin) de relatie met de politiek aan te geven. De oorzaken van oorlog moeten nog altijd worden gezocht in het politieke krachtenveld en alles wat daarmee samenhangt.

Geheim NAVO-inlichtingenrapport

Hieronder is een gedeelte afgedrukt van een oud (begin 1986) inlichtingenrapport (‘Int-sum’ – Intelligence Summary), bedoeld voor de staf van NORTHAG, de Northern Army Group. Dit is een NAVO-hoofdkwartier waaronder bijvoorbeeld het Nederlandse Eerste Legerkorps valt. De volledige tekst bestaat uit beschrijvingen van militaire oefeningen van het Warschau Pakt, korte biografieën van belangrijke WP-generaals en de lokatie en aard van nieuwe militaire onderdelen in Oost-Duitsland. De bedoeling van dergelijke rapporten is om afwijkingen van het normale oefenpatroon van de WP-legers vast te stellen.
Interessant in het door ons afgedrukte deel van het dokument zijn de moeilijkheden die er blijkbaar zijn bij nachtoefeningen door Russische tanks. In het rapport wordt gesteld dat deze onder oorlogsomstandigheden waarschijnlijk problemen krijgen met hun nachtzichtapparatuur en dus vertraging zullen oplopen bij operaties in het donker. Het rapport ondersteunt de stelling dat de ‘dreiging’ van het Warschau Pakt in werkelijkheid aanzienlijk minder voorstelt dan steeds door de NAVO-propaganda wordt gesuggereerd.